
Een grote slang die zijn prooi wurgt is een p....
Een saus van eieren voor op de friet is m....
Een plant die groeit uit een bol is een h...
Een d.... zorgt voor stroom op je fiets.
Een jong hondje is een p....
De buren (verhuizen) ............ vorige week.
Vanochtend heeft de collectant geld (inzamelen) ..........
We (rondneuzen) ........ gisteren daar ......... (spatie tussen de woorden)
Mijn broer (plakken) ........ nu een postzegel op de kaart
De klok heeft om twaalf uur (luiden) .........
Het vliegtuig was bijna (crashen) .........
Bijna iedereen is al (inloggen) ...........
Stom, ik heb het wondje weer (openkrabben) ...........
Heeft juf Suzanne haar haar (verven) ..............?
Ik heb hem (instrueren) ........... zijn mond te houden.
De kinderen waren verdwaald. De ........ kinderen
De weg is verbreed. De ......... weg
Ik heb mijn arm gebroken. De ............ arm
De trein is verlaat. De .......... trein
Het bedrag is besteed. Het ............ bedrag
De (beluisteren) ........... berichten waren erg actueel
De (uitdeuken) ........... auto stond op de parkeerplaats
De (verrotten) .......... vloer kraakte gevaarlijk.
De (haten) ............. voetballer werd uitgelachen.
Het (wissen) ............ programma was nog wel nodig
(vergeten) De jongen .......... de fiets. De ............ fiets. (spatie tussen de twee antwoorden)
(verbreden) De man ........ het pad. Het ............. pad. (spatie tussen de twee antwoorden)
(verblinden) De lichten .......... hem. De ............ fietser. (spatie tussen de twee antwoorden)
(vergroten) Hij ................... de foto. De ............... foto. (spatie tussen de twee antwoorden)
(besteden) Zij ............ haar geld. Het ............... geld. (spatie tussen de twee antwoorden)