(wandelen, vt) Ik
(durven, vt) Hij
(dromen, vt) Wij
(verzetten, vt) Ik
(ontmoeten, vt) Hij
(verven, vt) Ik
(bevrijden, vt) Hij
(vergeten, vt) Wij
Die opdrachten zijn (aanleveren).............................
pv
vd
bn
Die opdrachten zijn (aanleveren)